26 Januari. Hoogfeest van de Stichters van Cîteaux.

Een nieuw begin; een wonder Gods…

Wat bezielde de monniken om uit Molesmes te vertrekken,  wie waren zij en waarom  trokken zij weg  bij hun medebroeders. Een antwoord: Terug naar de bron, waar helder water ontsprong…

Christus die door de wereld gaat
verheft zijn stem niet op de straat,
Hij spreekt ons hart aan, heden,
en wenkt ons met zich mede.

Op 21 maart 1098 verlaten 21 monniken met Robertus de abdij van Molesmes en trekken naar een eenzame plaats, gelegen in Cîteaux. Zij stichten er het ‘Novum Monasterium’, het nieuwe klooster. Robertus is op dat ogenblik 70 jaar: de innerlijke zoektocht die bij zoveel van zijn tijdgenoten leeft en vooral bij de jongere generaties, beleeft hij zelf, samen met zijn medebroeders.                                                

Robertus, door Gods Geest geleid,
trok uit, op zoek naar eenzaamheid.
Hij werd de leider van Gods werk,
de herder van een nieuwe kerk.

De Regel droeg hij in zich om 
als weg naar een vergeten bron,
De eerste stap, door hem gezet,
was : dorst naar God en het gebed.
(hymne: Nachtwake en 2de Vespers)

Na één jaar wordt Robertus verplicht om naar Molesmes terug te keren. De monniken kiezen Albericus tot nieuwe abt van Cîteaux.

Een tweede ceder rees omhoog.
t Was Albericus, die zich boog
toen de gemeente hem verhief:
hij had zijn broeders waarlijk lief.
(Nachtwake en 2de Vespers)

In 1108 kiezen de monniken Stefanus tot nieuwe abt. De versterking van de communiteit wordt zijn grote opdracht.                                                                                        

Door Stefanus en zijn beleid
werd soberheid tot levensstijl,
zijn wijze wet, zijn testament,
voltooiing van het fundament.
(Nachtwake en 2de Vespers)

De cisterciënzers keerden terug naar de basisregel van Sint-Benedictus ora et labora (bid en werk). Die wilden zij in alle zuiverheid beleven.                       

“Stefanus heeft in feite een aanpassing van de Regel aan de omstandigheden van de twaalfde eeuw tot stand gebracht, dat het werk is van een religieus genie. In alles vinden wij de vroege cisterciënzers vervuld van de ‘werkelijkheid’ van het monnikenleven. Zij waren onvermoeibaar in het zoeken naar het onvervalste, naar het authentieke. Trouw aan de strenge cisterciënzer observantie is de voorwaarde die de monnik in staat stelt zijn ziel te openen voor de zwijgende, inwendige onderrichting van Christus.                                                                                           
Door de Regel te onderhouden en zijn abt te gehoorzamen zet hij zich aan de voeten van Christus, de enige ware Leraar van het inwendig leven. Want het werkelijke werk van de volmaaktheid in de ziel van de monnik moet gebeuren door de heilige Geest, die alleen spreekt tot de nederige.” (Thomas Merton, Het stille leven)

De Orde kent dus drie stichters: St. Robertus, St. Albericus en St. Stefanus Harding bekend om zijn Bijbelvertaling die zijn naam draagt; Bijbel van Stefanus Harding.
Br. Guerric Aerden ziet voor iedere stichter een eigen symbool.” Drie stichters, drie symbolen: de staf, de pij en het boek. De staf symboliseert de herderlijke zorg, de behoedzaamheid en zorgzaamheid die de abt, maar ook iedere cisterciënzer moet behartigen tegenover zijn broeders, tot in het materiële toe. Het habijt is de omwalling van het geheim waaruit de monnik leeft, het mysterie van Gods oneindigheid dat hem draagt. Het boek, de Bijbel, is zijn leeftocht, zijn vis-à-vis, het sterven aan zijn narcisme om een relatie aan te gaan met de bewoonde binnenkant van zijn ziel, in een gestage dialoog te treden met Gods woord dat geen inspanning vraagt maar instemming.
Behoeden, omwallen, in relatie treden: dat is de ultieme boodschap die de heilige Stichters van Cîteaux, Robertus, Albericus en Stephanus, ons negen eeuwen naderhand doorgeven.”

Elkaar verbonden in het Woord 
dat in de stilte werd gehoord,
groeiden zij samen tot één stam
waaruit een machtig leven kwam.
(Nachtwake en 2de Vespers)

“Hun namen leven voort van geslacht tot geslacht” Sir. 44;1